Beoordeling praktijkdeel

Inleiding
Werkmap
Verslag studie/beroepspraktijk
Bureaubezoek
Praktijkformulier
Beoordelingscriteria praktijkdeel
Fasering beoordelingscriteria praktijkdeel

Inleiding                                                                                                                             In de praktijk blijkt dat nagenoeg alle werknemers die op de Academie studeren een arbeidscontract hebben voor een vierdaagse werkweek van 32 uur. Uitgaande van 42 weken werken zij minimaal 1344 uur per jaar.

Het praktijkdeel van de opleiding is dat deel van de beroepspraktijk van de studerende werknemer dat als leer- en ervaringstraject  aangemerkt kan worden en als zodanig beoordeelbaar is. De opbouw van het praktijkdeel is afhankelijk van uiteenlopende factoren als het vooropleiding en aanvangsniveau in het arbeidsproces, de interesses, inzet en ambitie van een werknemer, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die je als  werknemer geboden worden. In overeenstemming met de fase waarin de opleiding verkeert, wordt in het algemeen 50% tot 60% totaal aantal werkuren gehonoreerd als daadwerkelijke studiebelastinguren (SBU). Dat komt neer op 20 SBU per week. Daarbij wordt er van uitgegaan dat in een reguliere arbeidssituatie de gewerkte tijd niet zondermeer gelijk gesteld kan worden aan tijd waarin gestudeerd en geleerd wordt omdat de praktijk niet doelbewust en exclusief voor het studie- en leertraject is geprogrammeerd en ingericht.

De beroepspraktijk wordt beoordeeld aan de hand van de bureaubezoeken, de werkmap tijdens de drempelgesprekken, het verslag studie/beroepspraktijk, en het jaarlijks uitgereikte praktijkformulier.

Voor werkgevers is er eveneens op aanvraag een brochure verkrijgbaar over de beroepspraktijk als onderdeel van de opleidingen tot architect of stedenbouwkundige.

Werkmap
De zelfstandigheid van de student veronderstelt dat hij of zij een goed inzicht heeft in de eigen ontwikkeling. Daartoe wordt de student geacht gedurende de studie een werkmap bij te houden, waarin projecten van de beroepspraktijk en de opleiding worden verzameld. Voor het documenteren van het praktijkgedeelte bevat de werkmap tenminste een verslag met een profiel van de werkplek, een beschrijving van de werkzaamheden, een jaarlijkse evaluatie van de ontwikkeling in het vak en de relatie tussen studie en werk. Het gekozen beeldmateriaal moet de eigen rol duidelijk maken.
Het bijhouden en kritisch selecteren van het materiaal voor de werkmap stelt de studenten in staat het eigen functioneren in beroep en studie voortdurend te toetsen aan de gewenste ontwikkeling en de eisen van de opleiding. De map staat dus in de eerste plaats ten dienste van de reflectie door de student zelf. Verder is het een middel om de opleidingscoördinatoren en de coördinator beroepspraktijk tussentijds inzicht te geven in de ontwikkeling van de student. De verzameling materialen en documenten in de map is immers het bewijs van die ontwikkeling en van de verworven kennis, vaardigheden en inzichten. De werkmap is uiteindelijk ook een toetsingsinstrument, dat bij drempelgesprekken besproken en beoordeeld wordt.

Verslag studie/beroepspraktijk
Voor de start van het 5e atelier schrijft de student een verslag over de beroepspraktijk, de studie en in het bijzonder de relatie die de student heeft gelegd tussen praktijk en studie. Het verslag geeft een beeld van de zelfontplooiing en evalueert zowel de beroepspraktijk als de studieactiviteiten. In het bijzonder moet erin worden aangegeven welke relatie de student wel - of juist niet - tussen beide heeft weten te leggen. Het verslag is eigenlijk de weergave van de zoektocht naar de eigen positie. Voorbeelden uit de werkmap kunnen worden gebruikt als illustratie.
Die relatie tussen studie en beroepspraktijk is van belang omdat de student vanuit de praktijkervaringen de relevantie van het onderwijs kan beoordelen. Omgekeerd ontwikkelt de student door de studie een kritische blik op de kwaliteit van het werk en de werkomgeving. Zo biedt het verslag de gelegenheid te reflecteren op de tot dan toe gevolgde studie en praktijk. Het kan bovendien de basis zijn van een ‘plan de campagne’ voor het vervolg van de studie in relatie tot de beroepspraktijk.
Als ondersteuning bij het schrijven van het verslag is een Schrijfwijzer verslag studie/beroepspraktijk met tips beschikbaar.

Bureaubezoek
Om inzicht in de beroepspraktijk van de studenten te krijgen, worden er door opleidingcoördinatoren minimaal twee maal tijdens de opleiding  een bureaubezoek afgelegd. Ten eerste is het bezoek bedoeld om inzicht te krijgen in de volgende zaken:
- welke functie de student op dat moment vervult;
- welke werkzaamheden en taken     er verricht worden;
- wat doe de student zelfstandig en wat in teamverband;
- met welke onderdelen van het ontwerp- en bouw(voorbereidings)proces krijg de student te maken;
- hoe ziet de student de eigen ontwikkeling (binnen het bureau of eventueel daarbuiten);
- zijn er voldoende ontplooiingskansen en hoe maak de student daar gebruik van;
- krijg de student begeleiding en in welke vorm en omvang;
- zijn er vakinhoudelijke gesprekken/discussies op het bureau en welke rol vervul de student daarbij.

Daarnaast kan de leidinggevende gevraagd worden een oordeel te geven over het functioneren, de ontwikkelingen en ambities van de student. Tevens biedt het werkbezoek de student en zijn/haar leidinggevende de gelegenheid aan te geven wat de ervaringen zijn met de kwaliteit van de Academie als beroepsopleiding en de mogelijkheid om onderling verwachtingen, ervaringen en wensen uit te wisselen tussen de student als studerende werknemer, de werkgever en de Academie. Tenslotte biedt het de Academie de mogelijkheid om een beeld te krijgen van de bureaus waar studenten werken (karakterisering bureau, omvang bureau, organisatie bureau, soort opdrachten, omvang opdrachten).
De gegevens die deze bezoeken opleveren, worden, samen met de informatie uit de praktijkformulieren, de werkmap en het verslag studie/beroepspraktijk, gebruikt om de student bij het volgen van een efficiënte studieroute in het praktijkdeel te ondersteunen en te begeleiden, maar ook om de ontwikkeling van de student in het praktijkdeel te beoordelen.

Praktijkformulier
Het praktijkformulier dient om de relevantie van de werksituatie van de student voor een academische studie te kunnen beoordelen. Op dit formulier worden de gegevens ingevuld over de taakomvang, de functie, de taken (gespecificeerd), de werkzaamheden, het soort projecten, het soort plannen, de mate van zelfstandigheid en de mate van begeleiding.
Het formulier moet elk kalenderjaar worden ingevuld. Op het formulier staat de datum waarop het uiterlijk moet worden ingeleverd bij de coördinator beroepspraktijk. Als de student van werkgever verandert, moet opnieuw een formulier worden ingevuld. Formulieren moeten door de student en de werkgever zijn ondertekend. Als het praktijkformulier niet wordt ingeleverd, vervalt het recht op studiepunten voor het betreffende kalenderjaar. De toetsing wordt uitgevoerd door de coördinator beroepspraktijk, in samenwerking met de opleidingscoördinatoren van de betreffende opleiding.

Beoordelingscriteria praktijkdeel
Het buitenschoolse curriculum is dat deel van de beroepspraktijk van de studerende werknemer dat als leer- en ervaringstraject aangemerkt kan worden en als zodanig beoordeelbaar is. De opbouw van het buitenschoolse curriculum is afhankelijk van uiteenlopende factoren als de vooropleiding en het aanvangsniveau in het arbeidsproces, de interesses, inzet en ambitie van een werknemer, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die een werknemer geboden worden.

De beroepspraktijk wordt beoordeeld aan de hand van het jaarlijks uitgereikte praktijkformulier, de werkmap en het verslag studie/beroepspraktijk. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar de aard en niveau van de praktijkwerkzaamheden, de praktijksituatie en de individuele ontwikkeling, en het aantal gewerkte uren die als studie- en leeruren gerekend kunnen worden. Uitgaande van 42 vierdaagse werkweken van 32 uur per jaar, wordt daarvan nominaal 840 uur als studie- en leeruren gerekend. Dat is per jaar 840 SBU (studiebelastinguren) of te wel 30 ECTS (European Credits Transfer System).

Studiepunten worden toegekend (of onthouden) na een beoordeling van de inhoudelijke kwaliteit en de omvang van de werksituatie en de mate waarin de student zich als professional heeft ontwikkeld. Dat kan betekenen dat er minder of geen studiepunten worden toegekend indien de kwaliteit van de werkzaamheden onvoldoende is in relatie tot de desbetreffende studiefase, ook als wel voldoende uren zijn gewerkt. Studenten in het derde studiejaar die nog werkzaam zijn als tekenaar, krijgen geen studiepunten meer omdat het werk niet meer relevant voor deze fase van de opleiding is.
Gedurende de opleiding moet er dus in de praktijkwerkzaamheden van de student sprake zijn van een waarneembare ontwikkeling op de volgende punten:
-    kunnen omgaan met de complexiteit van het ontwerpproces en de onderlinge samenhang tussen de programmatische, technische, esthetische, maatschappelijke en financiële aspecten van de opgave;
-    zelfstandigheid in de adequate invulling van de diverse werkzaamheden, zoals planning en de interne contacten met ontwerpers en tekenaars;
-    (mede) verantwoordelijk zijn voor de technische, esthetische en financiële kwaliteiten van de gemaakte (deel)ontwerpen en plannen;
-    (mede) verantwoordelijk zijn voor de realisatie van projecten;
-    (mede) verantwoordelijk zijn m.b.t. externe contacten met opdrachtgevers, instanties en bedrijven;
-    (mede) verantwoordelijk zijn voor de (afstemming van) interne bedrijfsprocessen.

Voor de beoogde professionele beroepsuitoefening als architect of stedenbouwkundige is praktijkervaring in de verschillende fasen van het ontwerp-, bouw- of uitvoeringsproces essentieel. Gedurende de opleiding dienen daarom alle fasen van ontwerp- en bouw- of uitvoeringsproces liefst meerdere malen doorlopen te zijn. 

Om de studenten te assisteren bij het monitoren van de eigen ontwikkeling in de beroepspraktijk is er een Handleiding praktijkdeel met  voor elke opleiding een checklist met eindkwalificaties. Deze kwalitatieve criteria zijn afgeleid en onderdeel van de eindkwalificaties die voor de opleidingen als totaal gelden.

Fasering beoordelingscriteria praktijkdeel
De wijze waarop een student zich in de praktijk ontwikkelt zal per individu verschillen. Het is afhankelijk van uiteenlopende factoren als het aanvangsniveau, interesses, inzet en ambitie van een student, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die een student er geboden worden.
In het algemeen wordt een student geacht om, gedurende de vierjarige opleiding, in de praktijk alle fasen van ontwerp- en bouwproces liefst meerdere malen te doorlopen. De ervaring is dat studenten in de eerste jaren van de studie vooral bij de DO fase en de uitvoeringsfase betrokken zijn, veelal als tekenaar. In de loop van hun studie worden ze steeds meer betrokken bij de planvoorbereiding en de VO fase en geleidelijk aan meer als ontwerper ingezet. Stedenbouw en landschapsarchitectuur-studenten beginnen vaak als assistent ontwerper en krijgen geleidelijk aan meer verantwoordelijkheid. De student doorloopt de fasen van het ontwerp- en bouwproces gedurende de studieperiode dus veelal van achteren naar voren.
De ervaring leert dat er grote verschillen kunnen zijn in de wijze waarop een student zich in de praktijk ontwikkelt. Deze verschillen moeten ook zeker mogelijk blijven. In die zin zijn de aangegeven ontwikkelingslijnen als referentie en dus nadrukkelijk indicatief bedoeld.
De vrijheid van de student en de nadruk op de individuele leervragen mag echter niet leiden tot vrijblijvendheid. Daarom wordt van iedere student verwacht dat deze kan aangeven waarom zijn beoogde ontwikkelingslijn de noodzakelijke kennis, vaardigheden en inzichten zullen opleveren, waarom ze van voldoende niveau zullen zijn en dat ze binnen de gegeven studietijd behaald zullen worden.