Concurrency-model
In de praktijk van architecten en stedenbouwkundigen geldt dat de vakbekwame beroepsuitoefening slechts tot stand kan komen indien de beroepsbeoefenaren tijdens of direct na hun opleiding concrete praktijk- en beroepservaring hebben opgedaan. De opleidingen aan alle Academies van Bouwkunst in Nederland hebben dit geregeld middels het zogenaamde concurrency-model, die inhoudt dat werk en studie gelijktijdig en in relatie met elkaar ontwikkeld worden.
Studenten aan de Academie zijn studerende werknemers in een reguliere arbeidsverhouding, en de opleiding is in feite een stap in de loopbaanontwikkeling. De opleidingen bestaan uit een studiedeel, het binnenschools curriculum, en een praktijkdeel.
De Academie is van mening dat dit model een voordeel heeft ten opzichte van opleidingen die deze praktijk- en beroepservaring op additionele wijze geregeld hebben. De combinatie van werk en studie functioneert doelbewust als netwerk waarin onderwijs en beroepspraktijk in elkaar overlopen in de persoon van de studerende werknemer, maar ook in de persoon van de docent, de commentator, de begeleider en de opleidingscoördinator. Deze opzet houdt in dat de eindkwalificaties van de opleidingen tot architect en stedenbouwkundige worden verwezenlijkt op twee verschillende manieren, die continu met elkaar in verband worden gebracht. De ene manier heeft betrekking op de ‘laboratorium’-situatie op de Academie waarin specifieke aspecten kunnen worden benadrukt en andere kunnen worden ‘uitgezet’. De tweede manier gebeurt in de praktijk en in de daadwerkelijke beroepsuitoefening. Zodoende worden in de persoon van de studerende werknemer twee van elkaar verschillende leerlijnen gelijktijdig afgelegd. De overeenkomst in beide leerlijnen is learning by doing. De groeiende kennis van de verschillende fasen van het ontwerp- en uitvoeringsproces, en de toenemende complexiteit van werkzaamheden daarin, loopt parallel aan de toename van kennis en vaardigheden die middels het binnenschools curriculum wordt gerealiseerd – en vice versa. Dit gebeurt vanuit een groeiende beroepsverantwoordelijkheid en zelfstandigheid in het sturen van de eigen (beroepsmatige) ontwikkeling.
Door de praktijkervaringen kan de student de relevantie van het onderwijs beoordelen. Andersom geeft de studie de mogelijkheid een kritische blik op de kwaliteit van het eigen werk en werkomgeving te ontwikkelen. Op de Academie staat visievorming centraal, niet alleen over de definities van stedenbouw en architectuur, maar over heel veel facetten van het leven. De student wordt getraind om niet alleen na te denken over een situatie, maar ook om een situatie op verschillende manieren te benaderen of in te schatten. In de praktijk wordt deze visie vooral aangescherpt. De student moet binnen marges, regels en conventies tot aanvaardbare resultaten zien te komen. Er is minder ruimte voor experiment en meer nadruk op beproefde concepten. In de praktijk zullen inzichten eerder bevestigd worden, terwijl op de Academie er gezocht wordt naar nieuwe inzichten. De combinatie van studie en praktijk biedt de student de kans om in samenhang erachter te komen wat hij kan (ontwikkelen), maar ook wat hij wil (ontwikkelen), waar de interesses en fascinaties liggen, wat de student boeit en belangrijk vindt. Er gebeurt dus erg veel in een relatief korte tijd.
